is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Coba schreide, wou zich tusschen ons werpen, maar Bet hield haar vast in de armen, het hoofd afgewend en stamelde: ,,0 Heere Jezus, o heilige Maria, o God, o God." En ik zag haar beven.

Bij de eerste slagen met de felle zweep, was ik er op ingesprongen, maar Dries retireerde, sloeg mij met grooter zwaai van zijn pezigen rechterarm, zijn linkerlaars trapte mij terug. Eerst had ik gescholden: „Beul, fielt!" maar Dries zweeg en sloeg, en sloeg weer en weer. Ik raakte van de been, ik kreeg een striem over mijn hoofd als een schroeiende vlam en de volgende slag trof mijn beschuttend opgeheven armen. Toen dook ik het hoofd neer in mijn armen en bood mijn achterste als doel. Dries sloeg — ik weet niet hoe vaak, maar als hij ophield lag ik stil.

Ik heb een paar dagen in den wagen gelegen, Bet gaf mij drinken en eten, vooral drinken, want ik had dorst. Ik gloeide en klappertandde. Bet fluisterde en was schichtig.

Op een keer boog Dries over mij heen. — Ik kroop

we9-

„Nu is het uit met je kunsten, begrijp je! Anders sla ik je dood! Als je werken wil, zal ik goed voor je zijn."

Den volgenden dag werkte ik weer, bedelen en stelen. Ik kroop voor Dries als een hond, ik gaf hem alle centimes.

Op een dag zou ik hem vermoorden, dat was een koud besluit, waarbij ik me wel voelde.

En toch heb ik hem toen niet vermoord. De geschiedenis nam een anderen loop.

Eens keerden wij terug naar het wagenkamp, hongerig en met veel geld. Er was een tienfrancstuk bij. We zouden eten krijgen, volop. Maar in den wagen was een vreemde vrouw en die beredderde naar hartelust.