is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesterde venster, en daar hoorde ik hem al de deur intrappen —

Alsof de droes op mijn hielen zat, rende ik het terrein af. Op den weg keek ik nog eens om. Mieters, wat brandde dat! O Heertje, wat fijn, wat een gezicht! Wat een iemes fijn gezicht! Als ik het Coba vertelde, dansten we beiden van plezier, midden op den weg en dan meenden wij, dat er iets aankwam, en wij holden een heel eind — om dan hijgend elkaar in de armen te vallen en nog eens vertelde ik, hoe fijn het brandde en hoe Dries zou vloeken en waar zou Bet zijn? O, als die het ook eens zag, wat zou ze schateren, die goeie Bet.

„Lekker, lekker!" riep Coba en op dat oogenblik wrong zich een ijzeren band om mijn polsen en ik zag een anderen kerel mijn zusje grijpen. Ik beet razend naar de vreemde hand, ik trapte met hakken fel achteruit, maar de kerels kenden hun werk, zij bonden mij met vakkennis vliegensvlug de handen op den rug en nu pas zag ik, dat het veldwachters waren, maar niet de gewone champêtres, zij wisten wat ze deden.

„Kom maar eens mee manneke, ik vertrouw die leut niet," zei de een.

„Waarom boei je mij?" protesteerde ik.

„Die gaan in het bureau er subiet af, meneirke," lachte de man.

En door den laten nacht liepen wij naar het naaste dorp en ik stapte flink door, want ik meende ver achter mij stemmen te hooren.

De politie vroeg natuurlijk wel wat, maar het was beneden onze waardigheid te antwoorden. Zooiets stoms deden wij nooit. Men vergiste zich feitelijk. Er was door een jongen van het kamp gestolen en de mannen met knoopen meenden nu een goede vangst gedaan te hebben

Een dorpsstraat, een kapelletje met nog brandende