is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaarsen, en eindelijk een gebouwtje waar we stilhielden. Hij ontbond mij en we traden knipperoogend in gelig petroleumlicht. Een knoopenman zag ons op de gewone, quasi-barsche wijze aan en dat leutige spelletje begon weer als vanouds — het verhaaltje! We begrepen elkaar met een knip van de oogen, het uitstrekken van een vinger, we hadden domme, goedige gezichten, effen en vlak.

„Waar woon jullie?"

„Overal, meneir."

„Waar slaap je dan?"

„Nu is hier, dan is daar, meneir!"

„Weten jullie, wie je vader is?"

„Dood meneir."

„Moeder?"

„Dood meneir."

„Liegen jullie niet?"

„Maar meneir, zoowaar als Maria leeft, we spreken de zuivere waarheid."

We speelden goed, we logen met smaak. Dat was ons recht, het recht van den zwerver in zijn ongelijken strijd met de mannen van de wet en de heeren met sigaren en mooie pijpen. Elkander verraden, elkander beliegen, dat was ondenkbaar gemeen, daar stond de straf op van het vlugge afdoende mes, maar al die braafheden, burgemeesters en politie, boer en winkelman, die moest men misleiden, dat was eerste plicht.

Wie neemt hen ook ernstig! Ze zijn zoo komiek, zoo zelfbewust en toch zoo stom, zoo gek gekleed en zij spreken zoo braaf, dat de lach krieuwelt in de maag en ze denken te meenen wat ze zeggen.

Men laat ons samen even alleen.

„Paul, Paultje," roept Coba.

„Lieve," en ik neem haar in mijn armen.

Ja mijn zusje —. Wat was ze mooi in haar rokje van