is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds den volgenden ochtend, na zijn zwaren roes, die Dries hem gegund had, leerde de stadszwerver mij het vak in de steden. Het bleek daar soms nog gemakkelijker te zijn, men verschool zich in de menigte, zoodra er gevaar was. Geen brutaliteit, geen braveeren van boerenkinkels en honden, wel op het gemoed werken en sluw en oplettend zijn.

Ik zou het wel leeren, maar voorshands ging ik alleen er op uit. Coba liet mij treurig gaan.

MIJN EERSTE DOODE

Ik wil niet letterkundig zijn, omdat ik niet wil liegen. Maar Coba was de tweelingzuster van jou, Maria, en daarom ben ik zekeren dag een held geweest.

Het was, toen ik alleen te bedelen werd gestuurd, maar ik was verbaasd te ontdekken, dat het zonder Coba niet lukte. Haar stem en haar gescholden tranen waren de goudwaarden van het leven, haar heerlijke eenige schitterblik was de gezochte hemel.

Het begon te regenen; 't werd nat door de gaten van het buis en een groot smartelijk en onrustig verlangen joeg mij terug naar de kroeg, waar ik Coba had achtergelaten. Ik begon bij stukken hard te loopen en hartebonzend kwam ik in de modderige straat, waar een uithangbord met een verkleurden zwaan de kroeg wees, die ons deze dagen een doorlekkend dak bood. Ik opende de deur voor een jeneverwolk en in deze benauwing gehuld trad ik binnen en wou de trap oploopen. De waard halfdronken en met roodverhit gezicht — versperde mij den weg met zijn waggelend dik en stinkend lichaam. Even hield hij me op en hij zocht naar scheldwoorden om mij