is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe zou ik het gekund hebben, ongemanierde beer van den weg, die nooit teederheid had gezien, slechts rauwen lust, en die alle zachtheid slechts als zwakheid zag uitgelegd en behandeld! Ik knorde eens even als zij me wat voorzette, waarvan ik naam noch smaak wist, in teer porselein dat ik voorzichtig aanvatte. Aarzelend en keurend zette ik de tanden in de naamlooze eetbaarheden.

,,0, wat heb jij een vieze tanden! Poets jij die nooit?"

Ik wachtte voortaan met eten tot zij weg was, ik dorst mijn mond bij deze fijne mevrouw niet meer open te doen.

Het werd allengs beter met mij, maar ik was hardleersch en maakte blunder op blunder.

Zoo, toen ik eens eerlijk mijn dankbaarheid toonen wou. Ik had een pak kranten gevonden en ventte ze langs de huizen. Maar ik had van madame een splinternieuw pakje aan, zoo'n onmogelijk Engelsch jongeheerencostuum van een plaatje, als geen jongen van mijn leeftijd droeg en voor geen goed ter wereld zou willen dragen. De menschen lachten mij uit, gaven een snoepje, of pakten de krant aan met een ,,Dank U wel, jongeheer," maar geld gaven ze niet.

Voor een spiegelruit begreep ik het. Die door madame zelf netjes geborstelde kuif, het stugge eigengereide haar hier en daar geplakt, die kinderachtig schoone wangen, zorgvuldig gewasschen met zachte geurige zeep, dat stoflooze fantasie-wandelpakje en de door Catrien blinkend gepoetste schoenen ...

Zoo haalde ik niets op. Ik besloot mij wat zakelijker te maken. Een flinke ros door het haar en dat zat, een veeg door de modder en dan langs de wangen, ook dat was nu in orde. Ik knoopte daarop mijn vest nog los, mijn broek sloot niet geheel en ik schreeuwde met rauwe overslaande stem: