is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat moest er veel geleerd worden! Wij stonden iederen dag voor den rijstebrijberg en stumperden hakkelend door de woorden, of schreven ze over, de tong uit den mond en rood van inspanning. Alleen zoo'n ding, zoo'n pen vast te houden, was reeds een kunst op zich-zelf. 'k Heb het schrijven trouwens nooit geleerd, het bleven onwillige krabbels, met moeite te identificeeren met de letters die ze moesten voorstellen.

Meester Steen, onze leermeester, sloofde zich uit — hij vond mij machtig interessant. Als Oom er niet was, vroeg hij mij honderd uit. Maar dan keken Cootje en ik elkaar even aan, onmerkbaar en met wijdopen, doortrapte oogen. En dan logen wij als vanouds met een kleurige fantasie en de goede meester sloeg de handen van verbazing in elkaar en keek ons met merkbaar ontzag aan.

Als hij ons dan verliet, maakte hij zoowaar een diepe buiging en was vaak op straat nog niet bekomen van onze boekachtige wild-westavonturen.

Zoo wreekten wij ons over ons gemis en herkregen den trots van den zwerver, die hier zoo'n duchten knauw ontving.

In 't begin duurde het lang, voor we wat vorderingen maakten, het lag ons niet. Oom Barend, ontevreden, begon zelf mee te meesteren, hij schreef en spelde ons voor en dat op een lachende gekscheerende manier. — Men zou het tegenwoordig de globalisatiemethode noemen. We maakten kaartjes met onze namen voor onze kamertjes en de badkamer, de „eetkast", de keuken, den rommelzolder, de mangelkamer, het heele huis werd van aanduidingen voorzien. Catrien mopperde wat op dien onzin en leege drukte. Wie had er nu ooit van gehoord, dat men zoo leeren zou? Oom schreef ons briefjes en wij moesten terug antwoorden. Wij mochten