is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sjokkende paardentrams, met zijn gehaaste wriemelende menschenmenigten, zag ik plotseling een schooiertje oom aanklampen om een of ander prul te verkoopen. Hij was in lompen, aanbiddelijk vuil en grenzenloos brutaal. Hij was de koning van de straat, vrij van beweging en leven, zonder haast; ik keek hem strak aan, met een zonderlinge afgunst, met een gevoel van slavernij zoo in mijn nette pakje en mijn bedachtzame stapjes op keurige schoenen.

Anders keek Cootje hem aan. Er kwam iets angstigs in haar oogen en iets van ver weg, haar stem klonk ongewoon teeder als zij zoo'n jongetje wat gaf. Oom zag ons beiden beurtelings aan, er kwam een diepe rimpel in zijn voorhoofd en ook zijn stem klonk zachter, als hij zich weer tot ons richtte.

De stad was gebouwd met hooge pralende huizen om donkere afzichtelijke armoe-wijken. Ook ik kon toevallig in zoo'n steegje geloopen, een huivering niet onderdrukken en keek met bange beklemming tegen de gore, liederlijk vuile gevels en ramen op. Maar oom liet mij niet veel gelegenheid het rotte binnenlichaam van de uiterlijk zoo mooie vrucht te zien. Hij wees ons op de grachtenpaleizen, trapjes- en fleschgevels, beletages, trappenstoepen, en soms ging mijn blik als door een gat ver achteruit naar huizen waaraan deze deden denken, ook huizen met pilasters en festoenen, kraagsteenen, trapjes — en ook Ooms blik kon iets afwezigs krijgen en zijn stem stokte — we gingen dan maar vlug verder over den boog van een brug, sterk en rustig gespannen over het drabbige groen-blauwe water, — we gingen dan maar weer langs de duizenderlei voorwerpen der winkels, verleidelijk aangeboden als veile deernen, tusschen de kluwen menschen, jachtig en snakkend naar ruimte tot de wijde kalmte van een plein openbrak echter

De biecht van een bezetene 4