is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekanaliseerde rivier; die bewust is van der jaren snellen gang en zich door God opgedreven denkt tot uitzonderlijke goedheid en eerlijkheid; die zijn fouten nog niet gewend, zijn zwakheid en jammerlijkheid nog niet blind is, maar ze fel berouwt, ze hevig boet en nog waarachtig bidt en dankt. Hij legt zich bij de nederlaag niet neer in doffe berusting; hij vergeet het leven niet met een lachje en een tijdverdrijf, hij verschuilt den dood niet achter schoppen-boer en thirty-love. Het skelet rammelt achter hem aan en jaagt hem het leven in, het leven, dat in en om hem stormt, terwijl de menschen afkeuren: ,,Wat is die jongen toch vreemd, wat heeft hij toch? Waarom kan hij zijn schoenen niet poetsen en waarom drinkt hij niet gezellig met ons een kopje thee mét suiker en melk of zónder suiker en mét melk, of zónder melk en mét suiker? Hij kan het toch krijgen, zooals hij het hebben wil?" Het kopje thee namelijk!

Oom Barend was mild. Hij zag mij maar eens beteekenisvol aan over één van zijn groote plaatwerken der schilderkunst en zei: „Och, dat gaat wel over, dat is een leeftijdsverschijnsel, dat zijn groeikoortsen."

Madame vond mij rondweg een zot en Coba een mispunt. Het ontbrak niet aan bekeeringspogingen. De jongste broer van madame droeg het geestelijk kleed. Hij kwam niet vaak, maar als hij verscheen, was Oom Barend op reis en madame plechtig, Catrien kookte een godenmaal en de gang geurde naar goede koffie. Coba was ingetogen en heel het huis scheen te luisteren naar de schaarsche woorden van broeder Aloysius.

Hij heeft mij de eerste sigaar gepresenteerd en zat tegenover mij, schijnbaar op voet van gelijkheid, maar wezenlijk als een goedmoedig afgedaalde god. Hij sprak in 't algemeen over de bronst van jonge dieren en vischte naar de bekendheid met meisjes.