is toegevoegd aan je favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongens kringden popelend naderbij, nieuwsgierig hoe dat afloopen zou.

Kinderachtig wilde ik mijn positie van gevreesdheid niet prijsgeven, ik sperde mijn oogen wijd open en donderde den jongen toe: „Haal een stoel voor mij, . . en ik voegde er den vreeselijksten denkbaren vloek aan toe.

Vrees lichtte in de oogen der jongens, men week een beetje terug voor mij, het werd doodstil.

Van Amerongen echter trad kalm op mij toe, plaatste zich vlak voor mij en zeide rustig: ,,Denk er om, als je je gemak niet kunt houden, moetje er uit!"

,,Voor jou?" gilde ik hoonend, „hier!" en in onbeheerschte drift en vertwijfeling gaf ik hem een slag in 't gezicht.

Daar had hij op gewacht. Ik kreeg bliksemvlug een stomp tegen de borst, daarop ging het heen en weer in een warm en geanimeerd gevecht. Omdat ik het zoo niet winnen kon, ging ik tot een andere tactiek over, de gemeene gluiperige van de schooiers. Ik trof hem opeens onder de kin, dat de jongen een oogenblik beneveld was, een moment dat ik uitnutte door hem te vellen met een kniestoot in de maag. Nu sprong ik op hem en gaf links en rechts opdoffers tot de andere jongens luide mij hun verontwaardiging toejouwden.

Ik stond op en zag rond — de jongens weken stil voor mij uiteen met vijandige blikken. Ik zag vuisten stiekum gebald en begreep, dat mij niets anders overschoot dan te vertrekken.

In de gang riep men mij na: „Vuile gemeene moordenaar!"

Dit voorval heeft de eenzaamheid om mij verdiept en ik kwam weinig meer met de jongens in aanraking.