is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEDERLAAG

Ik zou de boerendochter kunnen zoenen als ze met den melkemmer de wei is ingeloopen, ver weg van de bescherming huis, hof en hond. Maar dat is niet genoeg. Niet genoeg om mij te beuren uit dezen put van verslagenheid.

Maar als de hooiberg zich in vlammen verteert en de boer die mij geschopt heeft en de knecht die den heemhond losmaakte er radeloos bij vloeken en vruchteloos den brand bevechten, zou mij dat helpen kunnen?

Verlossende vlammen, ik roep U op als weldoende geesten der vernieling, als godinnen der wraak over mijn vernedering, ik schep U door één achteloos geworpen vonk, door één bevrijdend gebaar. Die eene vonk zal dijen en zich vermenigvuldigen gelijk het gebaarde leven en 't zal loeiend klimmen in den duisteren nacht en schroeien en bedreigen den boer en zijn trawanten; het zal oplichten in het donker en mijn schreiende ziel zal getroost worden en zich machtig voelen.

Vlammen leeft en vernielt! Het zal mijn daad zijn en ziel, arme geslagen ziel, trekje op aan dezen daad om niet verloren te gaan.

*

Wat geeft een daad als het niet de sleutel is die het cellegraf der eenzaamheid ontsluit?

De regen hangt neer als een ritselend gordijn en daarachter is alles verborgen. Ik sta tegen een boom die doorlekt en ik sta er uren. Het leven is wachten op verlossing. Men kan zich niet doorvechten, de regen ruischt en spot met onze moeite.

De vervloekte kleeren hangen als natte dweilen tegen het huiverend lijf, over het land dampt de regen en de