is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereld lijkt op te lossen in dit koude grijze niets. Ook van mij blijft niets over dan een armzalig gekreun. Ik kan alles nog verdragen, maar dezen regen niet, dit uitwisschen van mijn persoonlijkheid, dit verdrinken en teniet gaan in 't grijze Niets.

O lichtkrans om een lamp als middelpunt van een gezellige kamer, licht dat zich los op alle dingen legt en ze prikkelt tot leven!

Stralende kachel die de kilte wegdrijft tot buiten de deur! Behaaglijke warmte, gouden licht, gezellig bijeenzijn met oom Barend en Coba; soezerige sfeer, want allen lezen of schrijven en de warmte kruipt loom in de kleeren, legt zich zwaar op de leden en men sluit de oogen met een glimlach als een vrouw, die teeder wordt omarmd.

,,Heidaar, vervloekte verdommeling, motje ongelukken maken! Kijk verdomme uit, as je den weg oversteekt!"

Ik val bezijden een paard, maar ik ben opgesprongen en schreeuw terug:

„Kijk jij uit, stommerd! Je kan niet rijen!"

,,Op je donder zal ik je geven, brutale schooier!"

In 't gelige licht van een lantaarn zie ik een drankrood gezicht en een zweep striemt een streep over mijn rug. Maar ik grijp het zwiepende zweepeind en trek den voerman de kar af. En we vechten samen, naast de hooge wielen, zwijgend en verbeten, vuist tegen vuist en ik win door mijn vlugheid en de ander is niet nuchter. En wat genotvol is het te petsen op dat bonkige lijf, ja een slag te krijgen is goed en de pijn. Het is een kans om te blijven leven, het is zwemmen om niet te verzuipen; het bloed stroomt en de regen bedelft niet langer; er is een wereld gebaard van hevige actie.

,,Houd op, vervloekte schooier, houd op voor ik gemeen wor, zie je godver. ... dit mes?"

.1