is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zie het en deins terug, want achter het mes verschijnt Dries, en hij kijkt mij vreemd aan en valt. . .

De man vloekt en klimt zwaaiend op den bok.

De kar schommelt door, en ik sta gehavend aan den weg, bloed stroomt langs mijn kin uit neus en linkermondhoek, het smaakt bitter. Mijn knokkels zijn open en schrijnen in de kou. De regen is er nog en ik barst in een stompzinnig gehuil los, ik balk in den grijzen mist temidden der verlaten stilte; een vervloekte armzalige

hond, een verdwaald en vertwijfeld huisdier.

*

Ik heb gemeend ernstig ziek te zijn en het hartstochtelijk gewild; maar 't is niet geheel gelukt.

Het was nacht toen ik bij oom aanschelde, want ik wilde in de stad niet gezien worden. De oude Catrien scheen geïnstrueerd te zijn, want ze liet mij binnen zonder eenige verwondering en ik ging rechtuit naar mijn kamer. Het bed was netjes opgemaakt, maar ik begreep, dat ik er zóó niet in kon. En zie de lampetkan was gevuld en er lag een stapeltje schoon goed op tafel. Catrien bracht eenige boterhammen, worst en melk, juist toen ik poedelnaakt mij gereed maakte voor de huiverkou der wassching, maar mijn schaamtegevoel van grooten jongen sprak niet meer, zóo gebroken en ellendig voelde ik mij. Evenwel at ik alles op en ik was aan het inslapen toe, als ik een licht kleerengeruisch hoorde alsof iemand zich over mij heenboog. Ik hield mij slapend en even later hoorde ik pantoffels schuifelen op de gang in de richting van ooms kamer.

Ik bleef den heelen volgenden dag in bed en zag alleen Catrien, die eten bracht, 't welk ik graag had laten staan, maar ik had een razenden niet te stillen honger. Des avonds gaf ik het ziek zijn op, kleedde mij aan