is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaal met groene tafels en stoelen, de raadszaal. Op één dier stoelen had zijn vader gezeten. Paul keek met eenige ontroering rond.

„Hei, lummel, wie heeft jou permissie gegeven?"

Aan de deur stond een schrale gebogen man met een grooten sleutelbos, geen arbeider en geen heer, iets tusschen in. Hij had de kleeding van den jongen opgenomen en wist, dat hij veilig uitvaren kon en zijn macht van in-dienst-der-overheid laten gelden. Hij deed het dan ook onbeperkt in een stortvloed van krenkende woorden. Paul slenterde zonder iets te zeggen terug de hal in en hij wierp een laatsten blik op burgemeester Van Stevingen. Was er hoon op diens verwaten gezicht? Paul keerde zich om tot den nog altijd scheldenden stadhuisbode en sprak: ,,0, ja, je hebt je fooi nog niet gehad," en meteen gaf hij den op niets verdachten Cerberus een klinkenden slag tegen de wang, dat de sleutelbos galmend op de steenen sloeg.

En nu leek het Paul, of een gulle lach door de hal klonk, misschien de lach van den burgemeester, die hier was blijven hangen van den laatsten keer, dat hij in zijn stadhuis geweest was.

Als Paul de trap afdaalde met een rust als burgemeester Van Stevingen niet meerder gehad kon hebben, was er toch iets, dat hij als familietrek met dezen gemeen had. Hij was een gesloten burcht als deze en de eenige kwetsbare plek, de invals- en uitvalspoort der oogen had hij nog half gesloten. Hij liep als iedere Van Stevingen, als de burgemeester en als zijn vader gedaan hadden, de oogleden half neer, of hij den menschen niet den vollen blik in zich gunde, of hij niet belangstellend in hen genoeg was, om ze vrijuit gade te slaan.

Er zat iets van oneindigen ongeweten precieusen hoogmoed in dit gebaar en de gehelmde politie onder-