is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daarom ben ik een beetje bang voor dien staat."

De smid zeide niets meer. De zon stoeide met de neergeworpen beitels en tangen, een dansende stofwolk klom van het massieve aambeeld, dat als een hoogaltaar in de smidse troonde, naar het bovenvenster. De ruiten waren gebarsten en berookt, alles wat men aanraakte vlekte zwart af en de jongen in zijn tamelijk zuivere kleeren stond voorzichtig in de ruimte en gaf vertrekkend noch den baas, noch den knecht een hand. Men wuifde ten afscheid.

Het hevige rythme der hamers begon pas, nu de lange knecht een wit-gloeiend ijzer uit het vuur trok en in den bek van een lange tang op het aambeeld neep. Het ketste oorverdoovend tegen muren en ijzers, beitels sprongen op, de ramen trilden en terwijl de jongen de werkplaats uitvluchtte voor den spattenden vonkenregen, werd hij ver in de straat nog achtervolgd door de jamben der hamerslagen, hard-zacht, hard-zacht, die hem genadeloos om de ooren klapten.

Hij sloeg een stille straat in van hooge huizen, als door den wind erin gewaaid.

Hoeveel jaren is dit geleden, Maria, dat ik je zag, terugzag, dit weer beslissende moment in ons leven?

Als een rivier een rots ontmoet, buigt zij af en keert soms tot dicht bij haar oorsprong.

Hij sloeg de rust in eener stille straat van ouden voornamen hoogbouw en de droom begon. Hij liep midden op den rijweg tusschen de wijzing der kroonlijsten, tusschen de rythmische regelmaat der ruiten, tusschen de koele huizen als bekende gezichten, maar de namen was hij kwijt.

Een deur wijd als een poort liet een jong meisje uit Het stond voor hem slechts enkele passen verwijderd, op de bleek-blauwe hardsteenen stoep langs één dier trotsche huizen met vorstelijke ramen.