is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bazing te uiten, al begreep zij mijn woorden niet. Zij zag even naar mijn voorhoofd alsof zij daar koorts op af kon lezen, dan gaf zij het gesprek, dat zweven ging weer grond.

„Hoe heet je nog meer, Paul?"

,,Ik heet Paul van Stevingen en ben geboren in deze stad en wel in het huis, waar ik ingedrongen ben. Daar ben ik heel zeker van."

,,0!" schrikte zij.

En op zijn verwondering: ,,Daar is een moord gebeurd toen ik nog een heel klein meisje was en men zegt, dat het er spookt."

„Dat doet het ook.

Komt er wel eens iemand?"

„Soms een heer met een rooden baard. Niemand kent hem en hij spreekt hier met niemand. Hij laat alles zooals het is. En dan komt de werkster er, die zegt geen vrees te hebben, maar die altijd zorgt er bij daglicht te zijn en als zij werkt, staat de voordeur op een kier. Daarom kon jij er binnensluipen. En toen ik van ochtend van onze Geertje hoorde, dat er een jongen gevonden was in de keet van schoenmaker Geerlings, die achter dat huis staat, had ik al dadelijk het vermoeden, dat jij het moest zijn, de jongen, dien ik gisteravond had gezien, op straat en voor het raam. Ik heb het tegen moeder gezegd en ben hier heen gegaan."

„Mijn moeder is daar vermoord."

„Ach, jongen!"

Zij peinsde voor zich heen.

„Ik weet het nog," sprak zij heel zacht, „ik heb zoo geschreid, toen ik uit het venster zag en twee kisten werden uitgedragen. De straat was zwart van menschen en ook mijn vader was in den stoet. Hoe zonderling! En waar woon je nu Paul?"