is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zoowel statige als sierlijke persoonlijke huis met den trapgevel en klauwstukken als een doordachte begrenzing van het hooge puntdak, de geweldige deur als een entree voor vorsten, Maria in niets problematisch of verbijsterend is eenvoudig Godin. Wilde ik kunnen leven, moest ik haar dan niet vlieden?

Mijn wangen, mijn kaken trokken strak, de wond boven mijn linkeroog begon te steken en ik beefde een weinig, toen ik een laatsten blik wierp op de Stad, en langzaam, langzaam omkeerde, maar toch omkeerde en gebogen verder ging zonder meer om te zien, ook niet bij de pijnlijke kromming van den weg.

Ik weet niet, of het een goed besluit is geweest. Ik nam de wreede beslissing zeker niet, omdat de vlucht het gemakkelijkste voor mij was, het leek mij het eenig mogelijke.

Spoedig verdween het vleugje zon, waarmee de morgen begonnen was. Jij sliep stellig nog achter de neergeslagen gordijnen, die in de stille vroegte mijn blik gekeerd hadden, toen ik voor een eenzijdig afscheid tot bij je huis geslopen was, op de teenen alsof ik je storen kon. Karren ratelden over den weg, de boeren groetten mij met een opheffen der zweepen en de boerinnen met een lach. Ik was de paria der wegen niet meer, Wanderbursche, half ingelijfd in de maatschappij met haar veiligheid en wederzijdsche achting, ik moest maar weer een baas zoeken en werken gaan, gelijk het plicht was voor het menschenkind. Ik bezat toch niet meer de training en den moed van den trotschen zwerver, zijn onaandoenlijkheid voor regen en vuil, zijn doortrapte gemeenheid waar het zijn recht op eten betrof. Ik kon niet eens de hand ophouden, zoo'n eerlijke werkhand verloochende zich niet, laat staan dreigen, afpersen of stelen.

En bij een kruispunt sloeg ik een richting in, waarvan