is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar armen — armen voor iedereen, die ongelukkig is als zij — om mijn hoofd, en haar mond — mond voor iedereen, die geschonden is als zij — zoent mijn voorhoofd, de zwakheid van mijn oogen en de hulpeloosheid van mijn lippen en zij laat me los, slaat de van lysol doorbeten handen voor 't gezicht en jammert:

„Pauvre Gaston, mon pauvre Gaston!"

„Mort?" vroeg ik.

„Chemin des dames."

Toen hoorde ik een fluitje, wij legden de geweren boven onze hoofden tegen de vochtige aarde en heschen ons uit de graven. Frangois knikte even mij toe, „au revoir Paul," „au revoir Frangois" en ik stormde voorwaarts, over kuilen en greppels en in een angst zonder grenzen. „Paul, Paultje " was er een kinderstem door de stilte, plots doorbroken door geknetter en blauwe vlammetjes dansten mijn opengesperde oogen tegen en er kwamen gedaanten ons tegemoet en zij werden groot, zij stegen op, en ik steeg met hen mee, over rookende velden en brandende steden en opeens stak iemand door het blauw tusschen de sterren een blanken arm, en die wenkte mij. Maar ik kon die hand niet grijpen, want ik wou mijn geweer niet loslaten en plotseling zakte ik naar beneden, en de aarde viel mij tegemoet, groot, zwart.

„Mon dieu, il meurt."

Parijs, Londen, Rome, New-York en Bruxelles dansten den dollen dans van de overwinning . . .