is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En daar hoorde ik een knal. Een gil klom als een gier tegen den hemel op en temidden van een verschrikkelijke stilte hoorde ik een angstig stemmetje: „Paul. . . Paultje."

Het beeld schoof weg; ik zag mij voor een venster staan en een klein meisje met blonde krullen rees op en lachte mij toe, terwijl het zonnelicht in een gouden omhelzing . . .

,,Jongen, zal je mij nooit totaal vergeten en een laatste toevlucht zoeken bij mij."

, Ja, Thea," had ik gezegd, ,,ja."

„Chartres," dacht ik, „ik moet terug naar Chartres."

Als het eindelijk ochtend werd, was ik niet meer alleen. Ik deed mijn taak als guide door Parijs en beter dan ooit. Met een volkomen onverschilligheid zag ik mijn kapitaaltje groeien, ik had reeds lang een rekening bij het Crédit Lyonnais, want de combinatie van guide en mutilé de guerre was erg gelukkig. Erg gelukkig! Dat woord geluk was om te lachen in deze wereld, het bestond op zijn hoogst als hersenschim of droomkasteel bij jong verliefden.

Dat was erg zoetelijk na de tranchées. Succes bestond, brutaal succes in een brand van afgunst en nijd, geluk . . .

Chartres! Gebed van lijn en licht, ik was te onzuiver voor u.

Op een dag in een autocar door Parijs, een verschrikkelijke trompet voor mijn mond om de schoonheden der stad een domme en slaperige massa toe te schreeuwen, hoorde ik plotseling een dame voor mij:

„Wilt u nog een zuurtje?"

Ik schrok. Ik had meer Hollanders begeleid, maar het waren die van hotel Crillon of Ritz; zij spraken correct Fransch en onderscheidden zich alleen daardoor van de Anglais.