is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duizenden oogen zien mij hinken en duizenden ooren luisteren met mij mee naar het schokkende gestamp, dat onevenwichtige, dat botsend storende in 't wereldsche concert van genoeglijkheid en behaaglijkheid, maar toch is er van allen die kijken maar één die ziet en van allen die luisteren maar één die hóórt Gij, Maria!

Het storende element in de samenleving is niet alleen dat blok hout, of het gemis van een deel vleesch, het is ook, wat aan dit hout, dit vacuum, vast zit: de heele ongewone menschenverschijning. Maar door den stok of door de leegte treedt de interruptie dadelijk zicht- en hoorbaar aan den dag, is directer en brutaler gelanceerd in de voldane zelfbehaaglijkheid. Was Jezus indertijd niet een verstoorder? Waarom zou de duivel er dan geen zijn? En de mensch, die één van tweeën of hen afwisselend dient?

Alleen de mensch die zichzelf dient, zal geen verstoorder zijn. En zoo spreek ik mij zelve vrij en treedt onder de valide menschen, een lichte onbehaaglijkheid voor hen.

Op mijn hart ligt koel een zilveren munt. En het hart vraagt en hervraagt: Gedenkt ze mij en hoe?

Ik heb de zwakheid dit te willen weten voor het afdoend eind.

VOLEINDING

De doolaard kwam niet terug bij vrouw en kind. Hij kon niet in den weg staan met zijn hout en met zijn moord in de handen.

Hij kon ook niet tot u gaan met een hart, waardoor het leven getrokken was en zijn brandende sporen had achtergelaten, met een lichaam, dat zoo'n hart omhulde.