is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den uitgedragen in zwarte kisten onder bloemen, terwijl de rijtuigen voorreden de een na de ander.

Mijn wereld bleven deze oude meubels gehavend door een lang gebruik en toch getuigend en zinvol in de voorname rust dezer vertrekken; mijn wereld bleef het uitzicht in deze Straat, waarin des ochtends de zon den overkant verlicht, de statige behuizing der Van Steveningen, en in 't voorjaar de perelaar bloeit in den intiemen achtertuin.

Mijn wereld waren Paul de vader en Paul de zoon, al mijn gedachten aan hen, al mijn gebeden voor hen.

De wereld van mij en mijn kind waren lang dezelfde, tot het zich een eigen schiep, gelijk het ligt in Gods bedoelen en ik heb hem zelfstandigheid gegeven als een wijs moederland een opstrevende, volrijpte kolonie.

Het was een smartelijke ondervinding niet langer noodig te zijn en den tweeden Paul te verliezen als den eerste.

Men denkt zich overbodig en toch weet ik mijn louter tegenwoordigheid voor Paul een waarde, — ik zie het aan de stille straling van zijn oogen, — telkenmale als hij naar mij kijkt; ik merk het aan het zoeken van mijn nabijheid, zoo zonder spreken. Hij heeft het toch mij wel eens gezegd, een beetje hakkelend, een beetje blozend, want hij heeft de mannelijke stunteligheid, die ons vrouwen roert. Het geeft hem rust bezige handen te zien breien of haken, want het borduren heb ik er aan moeten geven, sinds mijn oogen slechter werden.

Ik kijk naar mijne handen. Het zijn niet meer de gladde, de zachte, welke jij in den lotbepalenden greep van je vingers hield; ze zijn nog altijd smal en de vingers nog dunner, maar het vel ligt er gerimpeld omheen en de aderen als blauwige koorden er bovenop. Toch neemt Paul ze qraaq in zijn sterke ionqe handen en streelt ze of