is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs drukt er met oud hoffelijk gebaar een kus op en dan herinnert hij me aan mijn vader en aan zijn vader.

Ze hebben veel gedaan, die handen. Ze hebben dit groote huis bestuurd en gekuischt, dagelijks het voedsel bereid en zorgvuldig opgediend, de lampen gevuld en het koper gepoetst, den stoffer gehanteerd en den boender in tijden van schoonmaak. Zij hebben de kleederen die mij dekten voor een groot deel vervaardigd, zij hebben kleedjes en spreien gehaakt en kussens geborduurd tot een lust voor de oogen. Zij hebben behendig voor Paul gezorgd, toen hij nog heel klein was. Zij hebben tallooze malen elkaar gevonden in de vingervouwing tot gebed, een gebed voor jou bijna iederen dag.

Vaak krampten de vingers nerveus om elkaar en lieten zij kalm en rustig weer los na den aanroep tot God.

Handen, wat hebt gij al gedaan voor dagelijkschen eenvoudigen arbeid! Eens schreeft gij brieven aan Paul, toen kwamen zij onbestelbaar terug en nu moogt ge weer schrijven aan dien man, die uit mijn hart en hoofd nooit geweken is.

Handen, gij hebt gegeven, maar is het genoeg geweest?

Heel het lichaam heeft zich Paul gegeven, het is, of deze beide handen het lichaam aangeboden hebben, terwijl zij het hardnekkig verdedigden tegen iederen anderen man.

Handen, gij hebt gebeden, is het genoeg geweest? Dat vraagt men zich af, nu zij zwak zijn geworden en oud. En één ding hebben zij niet genoeg gedaan, en staan zij nog in zware schuld: zij hebben niet genoeg gedankt.

Zij hebben nog niet gedankt, dat gij, Paul, behouden zijt en dat gij immer aan mij met zooveel eerbied dacht en dat mijn gebeden verhoord werden en dat gij nu gaaft uw biecht van een moeilijk en zwaar leven, waarvan ik