is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in mijn gewoonheid den strijd nog niet besef. Alleen met mijn hart begrijp ik, dat gij veel geleden hebt, maar ook hebt overwonnen. Handen, gij zult nog even wachten met de samenvoeging tot uw groote dankbaarheid, tot Paul hier is zult gij wachten en dan zullen vier handen danken den grooten eeuwigen God voor wat hij ons liet verstaan en leerde in twee lange parallellevens en in dien dank zullen zij — vlak voor den dood — in één bedding vloeien en de Zee toestroomen, de zilveren Zee onder den gouden zon, waar de goede Thea is en onze vader en onze moeder, waar de kameraden zijn en allen die ons voorgingen en zullen komen allen die na ons gaan, in die eindelooze keten van schakel op schakel, welke slechts een paternoster is in Gods heilige handen.

En vragen wij niet, waar geen antwoord komt, en waar alle denken als een spot is, vertrouwen wij alleen, dat de dood overwonnen werd en wij den Overwinnaar slechts te volgen hebben, die ons plaats bereidde.

Want ieder leven is gelukt, dat dapper is geleden.

*

Ik ben de minnares geweest van hem, dien ik lief had.

Mijn leven was een juichkreet tot den hemel, een uitgestooten opbloeisel omhoog, een vreugde-sprong in de gouden lucht, die zangvervuld trilde boven de kleuren eener bloemengaarde.

Mijn leven is geweest een aanhoudende beheerschte ontroering; het danklied ligt los op mijn lippen en nieuwe dank rijst alweer naar den zachten mond, die als de kelk van een bazuin openstaat om kond te doen, wat in mij trilt van droeve verrukking.

Gij god van mijn leven, gij aller-allerliefste, wien ik deze ontroerde woorden nog schreiende wijd, hoe hebt qii mij begenadigd u zoo te mogen omringen met