is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stil en weemoedig verlangen wekte naar iets onbestemds.

Het werd snel donkerder. Het was, als kwamen bergen en bosch dichterbij. Er viel een serene stilte. De wulpsche, overmachtige natuur nam eerbiedig zwijgend afscheid van het wijkende licht, dat nog lang als een flauw schijnsel aan den hemel, die steeds duisterder werd, bleef zweven.

Toen zei Fetter met een stem, die rustig was, maar waarvan Dornik niettemin de spanning kon voelen:

„Voor ons, westerlingen, is deze grootsche, overweldigende natuur te machtig, te vruchtbaar, te groot. En nog meer voelen wij er ons zoo onmachtig tegenover, omdat zij dag-in dag-uit, maand na maand, altijd dezelfde is. En als bovendien het licht ons verlaat, dan voelen wij ons te eenzaam. De een ondergaat het meer, de ander minder bewust. Velen zijn er, die er voor vluchten in den roes van drank en gerucht. Er zijn er, die er door gebroken worden. Een heel enkele overwint het. Maar aan de eenzaamheid, waarin het laatste licht je laat, ontkomt niemand.

Zie je, Dornik, er zullen waarschijnlijk meer dan eens oogenblikken komen, dat je een kameraad noodig hebt. En als je dan bij Fetter komt, dan heeft het geen zin om „mijnheer" tegen hem te zeggen."

En zich met een ruk op één voet omdraaiend:

„Laten wij een borrel pakken voor het eten. Ik ben zoo aan het preeken geweest, dat ik mijzelf best wat mag ontheiligen met een scheutje alcohol."

En zij gingen het verlichte huis binnen.