is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII

„Goeien morgen," groette Fetter, op Kajoe Kapoer het kantoor binnenstappend, waar Helmer, misschien wat gewild druk, aan het typen was. „Hoe staat het leven?

„Morgen, Fetter! Hoe maak je het?" Helmer richtte zijn Herculesgestalte op en gaf Fetter een groote harde hand, waar die van den laatste geheel in verdween. „Ik ben blij, dat je eindehjk weer eens gekomen bent. Want er is heel wat, dat ik je vragen moet!"

„Fijn! Kun je die vragerij ook loopende doen? Hoe is het intusschen met je dysenterie?"

„Niets meer van over!" antwoordde Helmer met het nonchalante gebaar van iemand, die zich om dergelijke kleinigheden niet bekommert. En zijn hoed en stok opnemend:

„Waar wou je naar toe?"

„Waar je me liever niet naar toe zou brengen!"

„Je weet heel goed, Fetter, dat ik nooit iets voor je te verbergen heb!"

Maar niettegenstaande die woorden kon Fetter er niet aan ontkomen een zekere schuwheid te vermoeden achter den verwijtenden blik, waarmee Helmer hem aankeek.

„Nou, ik garandeer je, dat er op Sebang Batang plekken zijn, waar ik een inspecteur handiglijk omheen zou leiden.

„Mogelijk, ofschoon ik het niet erg geloof. Maar je moet aan den anderen kant niet vergeten, dat Sebang Batang een heel wat moeihjker kebon is dan Kajoe Kapoer! En dat jij heel wat meer aan je hoofd hebt dan ik hier. Nou, waar wou je heen?"

„Naar tuin één. Ik geloof daar in het voorbijrijden wat schimmel-aantasting te hebben gezien."

„Gaan wij met jouw wagen?"

„Neen, loopen. Dwars door. Ik voel mij weer eens minder geslaagd vandaag en zou dus graag een flinken tippel maken.

„Dat belooft dan wat!"

Achter Fetter aanloopend, zuchtte Helmer eens diep. Hij kende dat verhaal van zich minder geslaagd voelen! Hij kon