is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er Fetter om haten, zooals hij hem, in zijn behoefte om voor alles en nog wat hulp en steun bij hem te zoeken, al meermalen verteld had. En hij bevochtigde zich de lippen, die nu al droog waren in het vooruitzicht van wat hem aan inspanning en dorst te wachten stond. Met zijn goed en stevig ontwikkeld lichaam was hij Fetter met zijn dunne middeltje ruimschoots de baas. Daarbij was hij volkomen gezond en mankeerde dien sprinkhaan altijd wat. Ook wat hersencapaciteit, althans wat uithoudingsvermogen bij hersenwerk betrof, was hij de meerdere. Meer dan eens was gebleken, dat Fetter al lang niet meer kon, terwijl hij nog volkomen helder was. En toch kon hij niet tegen Fetter op. Erger, soms was hij bang voor hem en werd hij zenuwachtig, als hij hem in de verte hoorde of zag aankomen. Maar begrijpen waarom, dat kon hij niet, ofschoon hij er al vele malen met Fetter over gesproken en hem gezegd had, dat hij zich aan hem gebonden voelde, zooals hij dat nog nooit met wien ook maar had meegemaakt, maar gelijktijdig steeds weer iets in Fetter's houding en woorden voelde, dat hem zichzelf als minderwaardige deed zien. Dat ondefinieerbare in zijn wezen, dat hij graag Fetter's zwakte noemde, maar waarvan hij wist, dat het iets subtiels was en buiten zijn bereik lag, hield een durenden drang tot verzet in hem wakker en riep soms gedachten aan wraak op, die hij graag genoeg direct van zich af wilde gooien, omdat hij toch oprecht van den man hield, maar die hij dikwijls en eigenlijk steeds minder baas kon.

Fetter bleef staan en draaide zich naar Helmer toe, hem met de hand uitnoodigend voor te loopen.

„Ik loop liever achter. Dat is voor mijn teere gestel minder vermoeiend en voor jouw prestige gezonder!"

„Ach, schei nu uit met die nonsens."

„Nonsens?" vroeg Fetter onschuldig. „Wie is hier baas? Jij of ik? Wie kent hier den weg beter? Jij laat mij de tuinen zien. Dus loop ik met jou mee en, op een smal pad, achter je. Telkens zeggend: jonge, jonge, wat mooi toch. En hoe interessant."

„Verrek!" En Helmer stapte tusschen den aanplant door het groendek den heuvel op, zich ergerend, omdat hij wist, dat Fetter luchtig achter hem aanliep en een strootje draaide.