is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar thuis was hij ook niet. Daar wisten ze niet anders dan dat hij op den gewonen tijd weg was gegaan. Fetter begon zich lichtelijk aan het geval te ergeren. Juist 's morgens vroeg, bij het begin van het werk, was het van zoo'n groot belang aanwezig te zijn. Fetter gaf het op en besloot den kantoorlooper er maar op uit te sturen om hem te zoeken. Die lui hadden er een merkwaardige handigheid in om iemand te vinden, ook al had hij zich op de onmogelijkste plek verstopt. Terugloopend naar het kantoor en den weg nemend door de kampong, werden zij aangehouden door Djojo, den vuilpoets, die vroeg of zij mijnheer Betterman al hadden gezien.

„Neen, dien zijn wij juist aan het zoeken."

„Hij is hier daareven voorbij gekomen, op weg naar het kantoor, denk ik. Hij zat heelemaal vol bloed en liep over den weg te slingeren, alsof hij dronken was. Misschien is hij gevallen of door menschen geslagen."

Aangevallen, schoot het Fetter door het hoofd. Alles in hem spande zich. En in zijn oogen kwam een grimlach.

„Liep hij soms ook te zingen?"

„Botten 'ndoro, neen heer," antwoordde Djojo, Fetter verwonderd aankijkend. Vreemde menschen toch, die blanda's!

„Wanneer was het?"

„Nu net. Misschien een kwartier geleden."

„Vooruit, ga mee," beval Fetter kort aan Djaronda. En met groote stappen ging hij op het kantoor af, daarbij zoo'n snelheid ontwikkelend, dat Djaronda half moest draven om hem bij te kunnen houden.

Hij was niet op het kantoor geweest, vertelde Hamid, maar doorgeloopen naar Fetter zijn huis. Neen, hij had niet gezien, dat hij gewond was. Wel, dat hij liep te waggelen.

Op weg naar boven, kwamen zij Betterman tegen, die liep als een slaapwandelaar. Zijn gezicht was gezwollen, er liep een straaltje bloed uit zijn neus en een oog zat zoo goed als dicht.

„Ook goeien morgen," groette Fetter zoo gewoon mogelijk. „Wat heb jij uitgevoerd, dat je er zoo gehavend uitziet en dat nog wel met mijn kleeren aan. 't Is geen vertooning."