is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man deinsde terug voor den feilen blik, dien Fetter hem toezond.

„Je heet Atmodihardjo, nietwaar? En je nummer is drie zeven een. Ik groetje."

Timide en verwonderd nagekeken door politie en toeschouwers, liep Fetter terug naar de pont, maar voor hij er op stond, hoorde hij zijn motor al gaan. En opgelucht draaide hij een strootje.

Na drie kwartier flink doorloopen was hij weer thuis, waar de Zonde wilde weten of hij niet moest ontbijten. Neen, dat deed hij wel eens een anderen keer. Hij liep naar de garage:

„Wel, Sastro, hoe is het met de spijkers?"

„Ik heb de banden al verwisseld. Moet ik mijnheer zijn motorfiets misschien gaan halen?"

„Hoeft niet. Die is gestolen door de politie. Vooruit, stap in."

Sastro viel de mond open door dat vreemde bericht. En de wagen reed al, voor het tot hem doordrong, dat hij mee moest.

Fetter ging naar Dornik om er zich van te overtuigen, dat daar alles rustig was. Uit ondervinding wist hij, dat een aanval altijd een paar dagen lang onrust veroorzaakte, wat vooral een nieuweling onnoodig nerveus kon maken. Maar het viel mee. Wel voelde hij een zekere spanning onder het volk en was Dornik zijn evenwicht een beetje kwijt, maar eenige reden tot ongerustheid was er niet. Hij besprak dan ook het werk, alsof er niets bijzonders aan de hand was en wist zoodoende Dornik er gauw van te overtuigen, dat de aanval op Betterman een onbelangrijk incident was, waarvan straks wel zou blijken, dat de oorzaak volkomen voor de hand lag, waarvan hijzelf intusschen allerminst overtuigd was. Een aanval van een enkelen man op een assistent, om een of andere werkehjke of vermeende grief te wreken, kon hij begrijpen. Een aanval van een heelen troep, ook dat was verklaarbaar. Daarvoor kon zelfs een kleinigheid de aanleiding zijn, tenminste als het volk in het algemeen de pest had aan den betreffenden assistent. Maar dit geval was onbegrijpelijk. Dit droeg veel te veel de kenmerken van overleg, waartoe hij de drie menschen niet in staat achtte. Het waren drie pootige kerels, die mogehjk wel eens een aan-