is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geladen met agenten. Zelfs ging het districtshoofd met Fetter mee tot Aek Haroem om daar, in de politiepost, als fungeerend hoofd van plaatselijk bestuur, dat in werkelijkheid in den vorm van den controleur een dikke honderd kilometer ver weg zat, de contractontbindingen te bewerkstelligen, onder voorwaarde, dat Fetter hem een auto gaf om dien avond terug te gaan.

„Man, je kunt er twee krijgen," had Fetter dankbaar geantwoord.

Toen hij weer op zijn kantoor kwam, waren alle papieren klaar en bleek het, dat de „sersan" een staatje had gevraagd en gekregen van de lui, die weg moesten en al vast begonnen was. Daar hij van het allereerste begin af van de ondernemingen de heele ontwikkeling had meegemaakt en er ontelbare malen was geweest, kende hij vrijwel eiken man, vrouw en kind persoonlijk, de allernieuwsten uitgezonderd, zoodat hij zelfs een paar correcties kon aanbrengen in het staatje van Fetter.

Dank zij het vlotte medewerken van een ieder nu, was alles bijzonder vlug afgeloopen. De menschen, die weg moesten, waren blijkbaar volkomen overrompeld. Een zoo snel en doortastend optreden zonder verder eenig onderzoek of tijdroovend gevraag hadden zij blijkbaar niet in het minst verwacht. Zoo'n branie als zij anders aan den dag legden, zoo stil en rustig waren zij nu.

Om zes uur, toen het begon te schemeren tusschen de huisjes en onder de boomen van Aek Haroem, reden de volgeladen autobussen af. De brutaalsten onder hen, die weggingen, probeerden een hoeraatje aan te heffen. Maar dat verstierf zonder weerklank in de stille en zwoel warme schemering. Velen keken de bussen nog na, toen alleen nog maar het gebrom der motoren te hooren was. Tot zij bedachten, dat zij al over tijd waren voor hun avondgebed, dat hier en daar uit de huisjes reeds opklonk.

„Zoo zijn die blanda's nu," hoorde Fetter er een zeggen van een paar Maleiers, die langs hem kwamen zonder op hem te letten. „Zonder vragen of praten ruimen zij met een slag alles op wat vuil is. Wij, Maleiers, zijn toch wel anders."

„Ja, en die toean Petter moet toch wel over een heel sterke