is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langzaam maar zeker ging de hond achteruit, ondanks melk en licht verteerbaar voedsel, ondanks de medicamenten, die Fetter hem op aanraden van dokter de Heer gaf. Het ontnam Fetter alle plezier in zijn werk, temeer omdat hij zich schuldig voelde. Hij was tot de conclusie gekomen, dat Bob een kippenkluif moest hebben gehad, waarvan een splinter in den maagwand moest zijn gedrongen. En dat was gedurende zijn verlof gebeurd.

Toen vroeg hij den dokter den hond te opereeren.

„Als het dat is," meende de dokter, „dan is het al te laat. En is uw diagnose onjuist, dan is hij toch te zwak om die, dan nuttelooze, operatie te kunnen verdragen. Ik zal u wat geven om hem mee in te spuiten. Dan gaat hij slapende heen en is uit zijn lijden."

„Goed," zei Fetter, „want dit is verschrikkelijk. Hij klaagt wel niet, maar dat is, omdat hij al zoo erg versuft is, dat hij geen pijn meer voelt."

Dat was hari besar ochtend. Bob lag aan de trap als was hij al dood. Maar toen hij Fetter hoorde en rook aankomen, kwispelde hij zachtjes. Fetter ging bij hem op den grond zitten en streelde hem over het hoofd. Zwak ging die staart heen en weer.

„Zullen wij er maar een eind aan maken, arme donder? Je hebt je baas zoo trouw gediend, kerel, en het is zoo ellendig alleen achter te blijven. Maar dit langer te dragen, heeft geen zin. Heusch, het is beter, dat ik je een spuitje geef."

Bob stond waggelend op, stapte met stijve beenen op Fetter's schoot en leunde zijn schouder tegen diens borst. Hij richtte met moeite en langzaam zijn kop op, gaf Fetter een lik over het gezicht, het een boer van walgehjken stank en viel om, zoodat zijn hoofd met een tik tegen den vloer sloeg. - Hij was dood!

Fetter keek er naar door een mist. Toen streelde hij hem weer.

„Dag, kerel! Dag, trouwe ouwe schurk! En nou moet de baas je begraven en zul je zijn kleeren niet meer vuil maken en niet meer lachen en blaffen."