is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij nam het doode dier op en droeg het naar voor, waar hij in den tuin een geschikt plekje opzocht om het te begraven. Toen ging hij een patjol halen.

„Wat moet je daarmee?" vroeg de Zonde, uit de keuken komend.

„Bob begraven," antwoordde Fetter kort.

Haar handen drogend aan een servet, dat over haar schouder hing, hep zij achter hem aan. Ook de bedienden hepen mee.

„Kassian!" De Zonde knielde en streelde het doode lijf. De anderen keken toe en maakten onder elkaar een paar opmerkingen.

Fetter begon te graven en een van de mannen schoot op hem toe om hem de patjol uit de hand te nemen.

„Neen," zei Fetter, „een trouwen makker begraaf ik zelf."

Het troepje bleef nog even staan kijken en droop toen langzaam af. De Zonde bleef en probeerde te helpen door Fetter wat drinken te halen en hem een schoonen zakdoek te geven om zich het zweet uit de oogen te wrijven. Maar begrijpen deed zij het niet, dit stille verdriet om een dooden hond.

Toen het gat groot en diep genoeg was, nam Fetter den dooden Bob voorzichtig op, legde hem in zijn graf en dekte hem met aarde toe. Hij riep een paar mannen van achter, zocht een grooten kei in het ravijn naast den weg naar zijn huis en sjouwde dien met zijn helpers hijgend en zweetend naar boven. Waar hij hem in het graf legde, zoodat de steen goed vast lag in den grond en er toch nog een heel stuk boven uitstak. Hij zocht een hamer en een smallen beitel op en werkte tot etenstijd door om den naam Bob in den steen uit te beitelen. De uitgehakte letters maakte hij zwart.

Helmer had dien dag de lui uitgenoodigd om bij hem te rijsttafelen. Fetter was niet gegaan om Bob. En nu zat hij tegen vieren op de trap voor en keek naar den steen, waar Bob onder lag. Er waren geen gedachten in zijn hoofd, er was geen verdriet. Alleen maar een heel onbestemd verlangen. Naar vrede, naar rust, naar... Toen reed er een auto voor vol luidruchtige menschen.

„Ga mee, Fetter," riepen zij naar den stillen man op de