is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trap, terwijl er een paar uitstapten. „Wij gaan bij den pil de boel op stelten zetten..." En ineens waren zij stil en keken verwonderd naar den opstaanden Fetter.

„Ga maar door, lui. Ik heb vandaag niets te geven en ben niet in een fuifstemming. Bob is dood."

Een paar verwonderde en belangstellende uitroepen. Zij kwamen naar Fetter toe en stelden hem vragen. Maar hij gebaarde hen weg te gaan.

„Jelui moet het mij niet kwalijk nemen. Maar ik ben nu liever alleen."

Verslagen dat hun baas hen afwees, nu hij verdriet had, stapten zij weer in, reden naar de garage om te draaien en kwamen daarna heel stil weer voorbij. Toen kwam Habekuk naast den stillen Fetter zitten. En zei niets. Beiden keken naar den steen.

„Wat doe je hier, Habekuk?" vroeg Fetter zonder om te zien.

„Naar de ondergaande zon kijken, kolonel," antwoordde Habekuk. Wat hij loog, want de zon was nog lang niet aan het ondergaan.

Zij zwegen, rookten en keken voor zich uit.

„Heb jij wel eens een trouw dier verloren?" vroeg Fetter.

„Neen, kolonel. Maar ik heb eens een jongen verloren, waar ik machtig veel van hield." Toen, na weer een tijd zwijgen:

„Mag ik u eens vertellen van dien jongen, kolonel? Ik moet er zoo nu en dan eens over praten. Anders wordt het mij weer te machtig."

En hij vertelde, terwijl het begon te schemeren en het donker werd, zoodat zij den steen steeds minder duidelijk konden zien, van een verwaarloosd kind, dat hij aangenomen had en opgevoed en lief gehad. Hij vertelde van ondeugende streken en van aardige tafreeltjes. En van zijn vreugde en van zijn zorgen.

Fetter luisterde en rookte. Het verhaal boeide hem meer en meer en er kwam iets in hem los. Hij begon het wegzijn van Bob als werkelijkheid te beleven en er welde een diep en groot verdriet in hem op om het verlies van zijn makker.