is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat getuige maar antwoorden", besliste de president.

„Ik stond — ik stond — ik weet niet precies meer, hoe ik stond," zei Volvers.

Op de publieke tribune en in de persbanken klonk onderdrukt gemompel. De president klopte met den hamer.

„Denk ook u erom, dat u onder eede staat," zei hij toen tot Volvers en hij vervolgde :

„Wenscht de verdediger nog iets anders te vragen ?"

„Dank u, mijnheer de president," zei Mr. Actrobius met nadruk. Hij schudde de mouwen van zijn toga en ging langzaam zitten.

De laatste getuige die gehoord werd, was Gerrit-Jan. Omdat hij nog niet door den rechter-commissaris was ondervraagd tijdens het voor-onderzoek, had hij de volle aandacht van de rechters en den Officier. Ook Mr. Actrobius luisterde goed, al deed hij of het hem allemaal al bekend was. Elsje Katrina zat doodstil.

„Vertel me eens, jonge man" begon de president, „hoe lang je den verdachte al kent."

„Zoolang mijn ouders in 't dorp woonden, mijnheer de president, wij woonden naast elkaar, vlak bij de rivier. Nu pas twee weken geleden zijn we naar Friesland verhuisd. Voor dien tijd ging ik dikwijls mee roeien met Rouke, in zijn boot, of we gingen den polder in. Den laatsten tijd alleen niet meer."

„Waarom den laatsten tijd niet meer ?"

Even bedacht Gerrit-Jan zich voor zijn antwoord.

„Ik ging toen met een meisje, mijnheer, daar liep ik