is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is waar veldwachter, maar toch zullen ze 't Elsje en ons wel lastig blijven maken," antwoordde GerritJan, „u bent toch ook uw baantje maar kwijt, dank zij het kabaal van Volvers ?"

„Niet zuchten voor morgen kerel! Weet je wat we doen moesten ? Hier opbreken, 't wordt tijd om eens op te stappen. Wij moeten nog naar den advocaat ook."

Zij gingen, Rouke en zijn vader naar het kantoor van Mr. Actrobius; Gerrit-Jan en Elsje Katrina naar den singel, die rond het oude stadsgedeelte liep. Om zeven uur ging zijn trein alweer, zij hadden nog juist drie uren voor zich.

„Het is laat geworden, vind je 't niet jammer, meid ?" vroeg de jongen toen zij buiten waren ; in een behoefte om haar iets vertrouwelijks te zeggen, nu zij zoo stil naast hem liep.

„Jammer wel een beetje, maar 't is niet zoo heel erg. Wij hebben elkaar al dien tijd toch gezien vandaag 1"

Voor zijn gevoel scheen dit motief niet te overwegen ; als om een laatste innerlijke reactie te vermeesteren zeide hij :

„We konden Rouke toch zóó niet laten weggaan. Wat een geluk voor hem dat het zoo is afgeloopen." Het klonk alsof hij iets te verontschuldigen had jegens Elsje.

„Als hij nu ook maar vrijgesproken wordt verder."

Zij zei het half uit een onberedeneerden drang om ook iets over Rouke te zeggen, half uit een gevoel van vrees, dat zij nog steeds voor de uitspraak had.

„Dat wordt hij wel, anders zou hij niet vrijgelaten zijn.