is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV

DE AALMOEZENIER

Rotterdam in 1929 — een stad die de wereld te gast had. Mailbooten en walvischvaarders, tankschepen en bananenbooten, kustjagers en hout-transporteurs, in een eindeloozen aanmarsch van alle zijden, naar de machtige havens aan den Maasmond. Het was een mengeling van vormen en kleuren : Indië en Australië, Amerika en Rusland, Afrika en China hadden hier hun vaste losplaatsen, hun opslagwal, hun torenhooge silo's en veemen. Aan den achtermast de vlaggen der reederijen, op den schoorsteenband hun eigen teekens en kleuren, op den achtersteven het wapperende dundoek van het land van herkomst, zoo kwamen en gingen ze, uit zee en naar zee, de geduchte dragers van den voorspoed dezer havens. Het was de laatste phase van dien voorspoed ; de stoot in het hart der stad, de doodsteek van de crisis, werd nog door niemand verwacht.

Rotterdam was machtig.

De Maas, een tweestroom hier, bracht de vrachtvaarders tot voor de kaden in de oude stad, voerde de lichtgele en grijze passagiers-schepen tot in haar onmiddellijke nabijheid. En ook van den anderen kant bracht de rivier vrachten en voorspoed aan : de zware ertslichters uit het Ruhr-gebied, breede lichters met steenkolen achter de geweldige Rijn- en Schelde-sleepers