is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voudige dingen die er stonden, een pan, kroezen en borden op een rek, een paar schalen, een lamp en enkele kastjes. Maar niets ervan was stoffig of smerig, ondanks de gruiswind op enkele passen afstand.

„Orde en netheid zijn hier niet eens deugden, maar vereischten, heel gewone vereischten. Als je ze hier niet te pakken krijgt, leer je 't nergens. Onthouden mag je alvast, dat je ook niet ongestraft een smeerboel van je bullen maakt op schuiten als deze, al zijn 't geen passagiersschepen 1" verklaarde zijn geleider — „en nu mee terug, anders komen we van de week niet meer klaar."

Zij verlieten langs dezelfde ongemakkelijke ladder het hooge schip weer. Rouke ging er onhandig achteruit af, hij vloekte binnensmonds omdat er geen leuning aan 't bovenste deel was. De pater stond al op den grond, toen hij nog halverwege was.

„Haast je maar niet jongen, met die ladders is het hier altijd gezanik, omdat ze steeds verlengd moeten worden, als de boot hooger komt te liggen."

„Breken ze hun nek er dan nooit op ?"

„Er zijn kerels, die er los tegen opvliegen, vandaar dat zij 't zoo erg niet vinden als ze eens een eindje leuning tekort komen, wanneer ze haast leeg zijn."

Door den achteruitgang van de opslagplaats, waar een troep vrachtauto's schotsch en scheef dooreenstonden, kwamen ze weer op de kade.

„Nu gaan we naar een beter oord, een kolenboot is nu eenmaal geen paradijs."