is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken, de kettingen vlogen weer omhoog en zijwaarts, naar de boot, waar in het ruim een nieuwe hijsch werd aangeslagen. Het ging in een heftig tempo, de haven had haast en de zee riep alweer

Het tafereel boeide Gerrit-Jan wel even, maar zonder veel indruk op hem te maken; hij was minder gevoelig voor deze dwingende krachten van ijzer en stoom, dan Rouke dat was. Wel schonk hij alle aandacht aan de boot zelf, een van die zwarte, gedrongen schepen, die het ruwe weer van Oostzee en Poolwateren kunnen doorstaan.

Veel meer echter nog boeide hem het riviergezicht, dat open voor hem lag tusschen dezen oever en den overkant. Hij had een vage herinnering aan zijn eerste bezoek aan de stad, dit voorjaar, op dien wazigen avond, toen hij de rivier voor zich had gezien, met de bruggen lokkend voor hem. Nu lagen ze achter hem, hij was ook dit gepasseerd, als zooveel andere dingen, den laatsten tijd. Hij was verder gekomen.

Het wemelen der schepen en roeibooten op het water, dat zich daar uitstrekte in den laten namiddag, schonk hem een oogenblik van bezinning; hij bleef er stil naar kijken. Niet eens hoorde hij, hoe de anderen hem riepen, zij gingen de boordtrap van het schip op en moesten van boven af hun roep herhalen. Eerst toen keek hij op en volgde hen; voorzichtig klimmend zooals ieder die het niet gewoon is aan dek van een vrachtschip te komen.

Ook daar ging veel van wat hij er zag, langs hem heen; zij werden gewaarschuwd niet onder de houthij-