is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om er Rikus of Toontje op te zoeken. Hij had een boodschap achtergelaten, dat hij om een uur of negen naar den kruidenierswinkel zou komen.

In de buurt van de Hemelzaal had hij echter niemand ontmoet, en er zoo vroeg naar binnen gaan wilde hij niet. Langs de kade zocht hij verder ; toen hij bij de pastorie kwam keek hij met een schuin oog naar het raam op de eerste verdieping. Hij liep voorbij alsof hij naar een ander doel op weg was. Maar toen hij vijf minuten later bij een ertsboot stond uit te kijken of hij daar een van de gezochten zag, zwaaide opeens boven aan de ladder een vaalbruine pij te voorschijn en kwam de aalmoezenier vlug naar beneden.

„Zoo zoo jongeman, weer in de buurt ? Ik zag je daar op de ka staan, alsof je een afspraakje had 1"

Zoozeer als Rouke had opgezien tegen een ontmoeting met den pater in diens kamer, zoozeer was hij opeens weer onder den indruk van diens hartelijkheid, hier naast hem op den wal. Hier was hun beider element, in de pastorie was hem nog zooveel vreemd.

Alsof hij iets vermoedde van wat er in den jongen omging, keek Pater Vrolijk hem scherp aan.

„Vertel eens, ben je al bij me thuis geweest ? Of kom je pas van boord ?"

„Gisteravond zijn we binnengekomen, ik ben alleen even bij mijn ouwelui geweest vanmorgen."

„Goed zoo, je hart trok nog naar de goeie plek I Hoe is de reis geweest ? Heb je onderweg nog smokkelaars of kapitalisten gezien ? Niet 1 ? Die verschuilen zich gewoonlijk te goed, beste jongen 1"