is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een landman, zijn ploeg over den schouder, komt hem langs het smalle paadje tegemoet.

„Wat doe jij hier, Timboel?" vraagt hij het angstige ventje. „We krijgen harden regen! Ajo, naar huis!" Timboel holt zoo hard hij maar kan. Het begint te waaien; de wind doet de palmen heftig ritselen en schuifelen. Spookachtig fluisterende stemmen hoort Timboel om zich heen, stemmen die hem nog meer angst aanjagen. In zijn verbeelding ziet hij de kleine, gedrochtelijke figuur van den gevreesden Gendroewo, met wanstaltig groot hoofd en uitpuilende oogen. Tusschen de bewegende boomtoppen grijnst hij hem toe met zijn grooten mond. En Timboel ziet de lange, uitgerekte gestalte van Wèwè, Gendroewo's vrouw; de booze trekken op haar gelaat, haar lange loshangende haren. Zij strekt de hand naar hem uit! Ze zal hem wegnemen en hem verstoppen onder haar, tot op den grond hangende, verdorde borsten!

Zijn grootmoeder had hem nog zoo gewaarschuwd voor het dreigende onweer en hem gemaand in de buurt te blijven. Was hij maar nooit weggeloopen! De booze kinderkwelgeesten fluisteren dreigend om hem heen; en dit is de straf voor zijn ongehoorzaamheid !

Daar klinkt een geruisch uit de verte, dat al nader en nader komt. Dikke druppels vallen omlaag.