is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Noemt gij dit sombere hol uw paradijs?" vroeg de koning verontwaardigd.

„Ik wilde u eerst mijn paradijs op aarde laten zien, mijn gebieder. Gij hebt dit gezien, volg mij nu verder."

Toen bracht de kluizenaar den vorst midden in het woud. Daar, temidden van vruchtboomen en andere gewassen groeide een onbekende plant, een hoog opgeschoten stengel, dien Trisjankoe met aandacht beschouwde.

„Dit riet," sprak de kluizenaar, „bevat evenals het net in het hemelsch paradijs het manna. Even geurig als het manna in het paradijs, is het manna der aarde, mijn vorst. Gij kunt het als een geschenk der Goden beschouwen. Gelijk de bij den honing uit de bloemen zuigt, moet gij het sap uit deze plant opzuigen."

Toen de vorst van het heerlijke sap geproefd had, was hij zeer verheugd en toen hij hoorde, dat de Goden dit riet op de aarde hadden laten groeien om hem niet langer naar Indra's hemel te laten verlangen, was hij verzoend met zijn leven op aarde. Eerst op den dag, dat Wisjna Mitn stierf, vernam Trisjankoe echter, dat de Goden in één nacht deze plant op aarde hadden doen ontspruiten en héél hoog hadden laten opgroeien, aldus verhoorende het vurige gebed van den kluizenaar.