is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het eentonig, kanonisch zingen der werklieden. Eindelijk komt een mandoer naar Timboel toe en verzoekt hem mee te gaan. Timboel loopt schuchter mee naar binnen. In een groote kamer vol plattegronden van riettuinen tegen de wit gekalkte wanden, teekeningen, waar hij niets van begrijpt, zit een groote man met een roodverbrand gezicht, achter een geweldig groote tafel vol boeken, schrijfgerei en dingen, die Timboel nooit gezien heeft.

De toewan, opkijkend van zijn werk, wenkt hem naderbij te komen. In gebogen houding loopt Timboel naar voren en, neerhurkend naast de schrijftafel, blijft hij zitten in wachtende houding, de handen over elkaar gevouwen.

„Hoe heet je?" vraagt de Toewan.

„Tjokro Pawiro."

„Wat wil je," informeert de Toewan verder. „Ik vraag om werk. Als 'Ndoro Toewan mij aan werk in de fabriek zou kunnen helpen."

„Heb je al meer gewerkt?"

„Nog niet 'Ndoro. Maar mijn vader Djojo Pawiro heeft gezegd, dat u mij misschien kunt helpen." „O, ben jij de zoon van Djojo?" klinkt het uit den mond van; den Toewan. „Je kan den volgenden Maandag binnenkomen. Bij het halen van de rietmonsters kan ik nog iemand gebruiken. De man-