is toegevoegd aan uw favorieten.

Blank om zes

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo scheen de weg ook maar heel kort geweest te ■ zijn welke zij volgden en die na een drie kwartier loopen, uitkwam op den straatweg, welke van Emmerich naar Doetinchem verder voert.

Ze hadden daar op dien weg nog maar enkele schreden gedaan, toen een auto hen achterop reed; in die auto zat een slanke oude heer met een grooten gebogen neus onder welke een zijige witte moustache bolde.

Er was een zichtbare verbazing in zijn blik, toen de wagen passeerde, een lichte schok van verwondering en een paar meter verder hield de auto dan ook stil en de oude heer opende het portier, trad half naar buiten.

„Pipsy!" riep hij uit. „Hoe kom jij hier?"

„Goeie hemel, grootvader!" kreet ze. „O wat 'n bof! Mijn fiets is kapot en deze meneer is zoo vriendelijk geweest om hem een heel eind voor me mee te sjouwen! '

De oude heer, in wiens blik aanvankelijk een licht wantrouwen bespeurbaar was geweest, keek nu ineens heel anders; hij glimlachte.

„Dat is heel beleefd van U, meneer. Mag ik U soms een plaats in de wagen aanbieden? Ik weet niet waar U heengaat, maar ik wil U met genoegen even naar uw bestemming brengen!"

Doch daar voelde Jaap niet voor.

Hij bedankte derhalve op hoffelijke wijze en zei dat hij nog iemand in Zeddam, waar ze vlak bij waren, moest spreken; een leugentje, dat Pipsy zichtbaar niet ontging. Jaap hielp vervolgens den chauffeur bij het inladen en veilig stellen van de kapotte fiets en dan kreeg hij het handje te drukken van het blonde meiske dat hem nog uitbundig bedankte met een lachje, hetwelk hem in het hart greep. En na een zeer korte aarzeling bracht hij het geboden handje dan ook aan zijn lippen, een gebaar dat, hoe on-Hollandsch ook, hij zich tegenover haar wel meende te mogen veroorloven. En ze nam het goed op,