is toegevoegd aan uw favorieten.

Hotel "De Springende Baars"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOTEL „DE SPRINGENDE BAARS"

terwijl iemand met een ruk zijn beide armen naar achter trok en zijn handen op den rug boeide, had een ander een reep breede kleefpleister over zijn mond geplakt, zoodat hij niet meer in staat was eenig ander geluid voort te brengen, dan een ongearticuleerd gegrom, waar echter al spoedig een einde aan kwam.

Vrijwel tegelijkertijd hadden de heeren Schandevel en Kool, zij het onder wat meer protest, hetzelfde lot ondergaan met gevolg, dat het drietal ten slotte volkomen machteloos met dichtgeplakte monden naast elkaar op een bankje van de roeiboot zaten en terwijl ze daar zaten, namen ze waar, dat er langs de voorzijde van het vliegtuig, een klein opvouwbaar roeibootje te voorschijn kwam, waarin zich nog vier man bevonden.

„Ziezoo," sprak Herman, die de leider dezer verrassende expeditie bleek te zijn en nu, nadat hij het zoeklicht gedoofd had, uit de stuurhut kwam en zich ook nog in het roeibootje van de Vreesewijckers inscheepte, „even kijken... we zijn alle negen present, hè?"

„Ja meneer, wij zijn hier met zijn vieren," antwoordde een stem uit het kleine bootje.

„Goed, en wij zijd hier met zijn vijven, dus dat klopt. En nu direct maar naar de wal; vaar maar achter ons aan. Kunnen jullie zien?"

„Jawel."

„Uitstekend. Dan nog even stil zijn en je revolvers klaar houden. Ik heb op de wal bij het steigertje nog iemand gezien. Die kerel moet ook even onschadelijk gemaakt worden." Herman had zacht gesproken, maar nu ineens verhief hij zijn stem weer en sprak: „Ik moet nog altijd mijn excuses maken,