is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat een volk. De ansjovis kan kwalijk stijver in de tonnetjes gewerkt worden dan de Urkers hier in „Paulus".

Bij de eerste psalm staan er wolkkolommetjes boven alle zingende monden, maar bij het tweede psalmgezang na het gebed en na de opening zijn alle wolkjes weg. Dan is de winter uit de zaal verdreven.

Het jaarverslag van de Jongelingsvereeniging verloopt zooals deze avonden plegen te verloopen. Meester Koffeman, de voorzitter, houdt een aanspraak waar wat in zit. De penningmeester en de secretaris geven hun verslagen allebei op rijm, en dan „zijn we genaderd tot het punt varia" licht Koffeman in. Op dat oogenblik zetten de menschen zich wat rechter op hun stoelen. Niemand zal zeggen, dat hij hierop gewacht heeft, en dat hij het begin van de avond als een rijstebrijberg heeft beschouwd. Dat zou onaardig zijn jegens de jongens die zoo'n werk van hun rijm hebben gemaakt, en het zou niet netjes wezen tegenover meester Koffeman.

Lubbert Taal doet „Het haantje van de toren". Hij is een doodgewone visschersjongen, zóó van de school op de botter gekomen. Maar voordragen dat hij kan! Laat hem loopen. Je rilt als je het hoort.... „de gure, noordsche Mei". Het is of de winter de zaal weer binnenrolt. En als hij het heeft over het arme kind daar achter het raam, dan zie je het schaap liggen, starend naar de toren of eindelijk het haantje naar het zuiden draaien zal. Ze kunnen er in komen wat dat is. Ligt Hendrikje Hoekman ook niet achter het venster en Luut Woort, en zijn er niet meer van die hier op het eiland? De straf der zonde komt alom openbaar.

Als het uit is, laat meester Koffeman zingen: Gelijk het gras