is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een poos bonken ze zoo voort tot halfweg tusschen Friesland en Wieringen.

Nu komt de vloed echter krachtig door. En als op tooverslag is het ijs er ook. Een witte bank komt aangedreven van het noorden. De eerste schotsen van het ijsveld botsen tegen de botters. Zwaardere schollen volgen. De splinters vliegen van de stevens af. En ginder drijft de zware wal van ijs recht op hen toe.

De motoren knetteren op het allerhardst. Boven alle stuurkasten trillen dikke wolken van afgewerkt gas, de uitlaatpijpen staan te schudden. Als ze zuidwest voorleggen kunnen ze misschien het ijsveld onder "Wieringen nog ontloopen. In een lange reeks tuffen de botters langs de rand van de witte barrière in de hoop een gaatje te ontdekken. Ze loopen alsmaar door terwijl het opdringend ijs hun flanken stompt. Maar nergens breekt een geul los in de witte massa. En eindelijk stooten ze op het vaste ijsveld voor de hollandsche kust. Terug moeten ze, terug naar het eiland, en haastig ook, want anders raken ze bekneld tusschen het drijfijs uit het noorden en dit vaste veld.

Steunend staat Meun aan zijn stuurrad. Vlak onder Wieringen; Den Helder haast in zicht, zóó dicht bij de vrije zee, de visch en de verdiensten. En nu terug naar de armoe en de ledigheid? Hij aarzelt.

De andere botters hebben hun stevens reeds gewend; vier, vijf schepen loopen al weg voor wind en stroom. Meun's botter stoot nog op een schots zoodat ze in haar spanten kraakt. Eindelijk rukt de schipper het roer om. Daar dan, het moet! Met