is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een scherpe zwaai buigt de U.K. 125 zijn kop naar het zuiden, de andere schepen achterna. Een vluchtende vloot!

Lubbert Taal hangt met zijn rug tegen de lijkant van de stuurkast op de 88. Hij neuriet. Het gaat hem wel naar de zin zoo. Uit moeders pot thuis eet hij wel. En die meid van Meun zal hij nu eindelijk te pakken krijgen....

Achter in de middag nadert de vloot het eiland weer. In 't westen zakt de zon, en in de schemering die in het oosten uit de kim opklimt begint zwakjes het gele licht uit de witte toren te flikkeren.

De vaart wordt hier weer zwaarder. Pal oost is de wind geworden en er komt ijs overzetten van de oostwal. De botters moeten veel vaker dan hun lief is afhouden om het ijs te ontloopen en ze verspelen kostbare tijd bij het breken van schotsen. Als ze eerst maar onder het eiland zijn, dan wordt de zee wel weer ruimer. Dat lukt. De Val is vrij van ijs; tegen de westdam echoot het geknetter der motoren. Op het havenhoofd zien ze de menschen zich verdringen; het heele eiland is uitgeloopen om de terugkeer van de vloot te zien. De menschen op de dam zwaaien wild. Saluut! wuiven de visschers terug. Ben jullie zoo blij dat je ons ziet? Ja, ja, we komen zoo!

Ze hebben geen erg in de witte wal daar achter het bazalt van

de havendam. Ze weten niet dat daar een machtig ijsveld heel

langzaam op komt zetten. Wanneer dat als een prop in de

havenmond geschoven is, kan er geen botter in of uit.

De U.K. 125 vaart midden in de vloot.

Daar zwenkt de voorste botter om het hoofd heen. Binnen!

De tweede en de derde volgen.