is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heeft Meun de hoogte. Hij laat met kracht zijn stuurrad draaien.

Hei, wat is dat?! Nu zit hij bijna op de 97. Die wroet in het ijs. Meteen schuurt en knarst het ook voor zijn boeg. Ze zitten midden in de witte wal!

De motors razen en de uitlaten schudden; de schroeven draaien op hun allerhoogste toerental. De boeg van de U.K. 125 boort diep in het ijsveld; bijt er in vast. Een paar vaam nog, dan is hij in de havenmond. Maar hij komt daar niet. Er zit geen schot meer in de botter. Hij ligt stil. Hij zakt af! Het ijs is sterker dan de motor. Het schip wordt achteruitgedreven door het opschuivend ijsveld, meter voor meter.

„Gooi op een lijntje," schreeuwt men van de wal.

Reeds vliegt het koord uit Meun z'n handen. Raak! Het piept bij de bolder; het touw trilt van de strakke spanning. Vervaarlijk kraakt het bij de steven van de botter. Laat schieten maar, wil Meun reeds roepen, omdat de schuit zoo naar de kelder gaat.

Maar op dat oogenblik ziet hij een zwart wak in het ijsveld. Open water! Hou vast nu! Riskeer een lek. Als dit niet lukt, weet je niet welk lot je wacht op deze zee vol werkend ijs. Het is of duizend hamers op één plank van de scheepsromp kletteren.

Tusschen de spanten sijpelt water. Lek!

Het zwarte wak is nog een meter af. Vasthouden! De motor raast. Daar is het open water!.... Als een losgesprongen veer schiet de schuit vooruit, de haven in!

De rest van de vloot heeft de stevens al gewend. Zij moeten weer vluchten voor de schotsen, die van alle kanten op de