is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schepen aandrijven. Zij moeten vluchten voor het grondijs, dat uit het water vliegt en rond de botters samenklontert nu het reeds weer stevig vriest. Elke haven die te halen is is welkom....

„Goddank, dat je er weer bent!" zegt vrouw Meun en schuift de tabakspot naar haar man toe.

„Ja, 't was een dubbeltje op zijn kant. De Heere heeft ons bewaard."

Dan draait Meun aan de radio-knop en trekt zijn beenen op een leege stoel.

Traag kruipt de winter op het eiland voort.

Na de ver geef sche poging van de vloot om uit te breken zijn al weer veertien dagen verloopen. Zes weken zijn de visschers zonder werk en zonder verdiensten.

De verveling sluipt rond. Alle botters zijn geteerd, alle netten zijn geboet. De vaders brengen hun kinderen elke morgen en elke middag in de slee naar school en halen ze er telkens weer uit. Dat geeft wat afleiding, maar het vult de dag niet. Van het schaatsenrijden bij de Staart raakt de pret ook af. Je hoort nu veel van kattekwaad. Op een morgen vliegen meester Koffeman, wanneer hij de schooldeur openhaalt, een troep krijschende kraaien om de ooren. Op een avond vluchten bakker Brouwer en zijn vrouw het huis uit. omdat een sater met een duivelskop en bokkepooten van de donkere bakkerij uit hun kamer binnenkwam. Midden in de nacht razen op zes botters tegelijk motoren. Een stel jonge visschers heeft het bestaan, bij veldwachter Scholten een keiharde sneeuwbal door de ruiten te pikken, en toen die razend, met