is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knechts en van de kleine visschertjes, die nu zeven weken buiten verdienste zijn geweest, nijpt het gebrek.

Moeder Meun zet vandaag een extra groote pan bruine boonen te vuur en maakt morgen een stevige stamppot. En Mar is dagelijks een van de velen, die de onderhuurt ingaat met drie of vier pannetjes. Want de winter mag streng zijn en de armoede groot, zonder eten gaat nooit een Urker naar bed. De visschers speuren alle dagen de lucht af of er nog geen verandering komt. Maar de wimpels op de botters blijven maar steeds in dezelfde richting waaien, en de lucht blijft alsmaar even strak.

Overmatig koud is het intusschen niet. Op het midden van de dag komt het kwik telkens boven nul; 's avonds zakt het daar een paar graden onder; elke nacht vriest het aardig.

Eindelijk betrekt de heldere lucht. Een grauw-grijze koepel spant zich boven het eiland; de wind haalt aan.

„Zouden we dooi krijgen?" vraagt vrouw Meun aan haar man. Meun kijkt de lucht langs. „Nee," zegt hij, „nee, pal noordoost is de wind. We krijge méér vorst."

Die avond raast de oosterstorm over het eiland. Hoog fluit de wind door de masten in de haven; gillend giert hij door de slopjes; het is of het in de kruinen van de schaarsche boomen dondert. Een dikke das hoog om de ooren, gaat Meun nog even de deur uit. Hij komt thuis met half afgevroren neus en voeten. De felle kou is amper te weren uit de kleine huisjes. Als Meun bij het naar bed gaan het lancaster optrekt, zijn de ruiten dik bevroren en toch staat de kachel gloeiend rood. Op zolder kruipt Mar klappertandend onder de dekens. Het is of de poolwind door de pannen heenbijt.