is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De weg terug is zwaar en eenzaam. Meun heeft zich wat verlaat door een bezoek aan een ouden broeder in Enkhuizen. Ze hebben samen over geestelijke dingen gesproken, en het gesprek heeft Meun's hart goedgedaan. Maar nu moet hij met den jongen alleen terug, want de anderen zijn al weg. De slee, met de paardebouten die in jute over de rand heen steken, is zwaar, de wind is tegen, en al de scherpe punten van het vastgevroren drijfijs wijzen nu hun kant op.

De avond valt al, en de vuurtoren begint te lokken. Floep

floep floep. Maar het licht is laag en flauw. De afstand is

nog groot.

Na een hooge ijswal, waar Meun en z'n jonge makker de slee

met moeite overheen gewerkt hebben, blazen ze even uit. Doodmoe.

In het westen vlamt de lucht. De Sint Pancras van Enkhuizen staat scherp gesneden met z'n kanteelen en z'n slanke spits tegen het oranje. Rondom is de witte stilte. Een doode winterzee, een onmetelijke vlakte, op welke de verheffingen van het gekruide ijs vervagen in de schemering. Visschers zijn eenzaamheid gewend. De wijdheid van het water en de eenzaamheid van stikdonkere nachten benauwen hen nooit. Anderen worden bang op een kleine botter in een wilde zee; zij vreezen op een wiebelend dek in het donker, wanneer zij de flauwe glansen van bewogen water zien. Visschers niet. De man aaS het roer doorwaakt lange nachten terwijl zijn makkers in hun kooien slapen, en op een wilde zee is hij rustig als was hij in zijn huis in het dorp.

Thans echter valt er plotseling een klem op Meun. Het zweet op zijn voorhoofd is niet uitsluitend van de inspanning die de