is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na Juni liep de ansjovisvangst achteruit en een van de eerste botters, die weer voor de Noordzee werden uitgerust, was de U.K. 183. Verscheidene andere visschers wilden het binnen nog een week volhouden. Misschien leefde de vangst nog wel wat op. Deze lange periode van dagelijks thuis zijn, braken ze niet gemakkelijk af.

Post evenwel, resoluut als immer, verzette zijn bakens zoo spoedig het getij verliep, en er kwam weer een Zondagavond, waarop Mar en Riekelt voor veertien dagen afscheid moesten nemen.

Dit is een andere Zondagavond dan die tusschen Kerstmis en Sylvester. Het oostenwindje komt nu zoel en warm aanzweven over een verstilde zee. De schemer toeft te komen. Uit het wijde, vlakke hooiland, waar ze samen rusten tegen een hooirookje, zien ze de zon langzaam neigen naar de stille spiegel. Haar gouden brand vloeit uit tot rose en paars. Als de ronde schijf de kim raakt trekken de kleuren zich weer samen, en dan zinkt de zon langzaam weg in het opaal doorlichte water. Van terzij kijkt Riekelt z'n meisje aan. Haar wangen glanzen in het late licht; er is een zachte weerschijn in haar gouden spelden en in het zilver van haar hul. Haar blik is verzonken in de zonneschijf. Een zoen op haar lippen brengt haar in het weiland terug. Ze lacht tegen Riekelt, maar uitbundig is die lach niet. Vroeger was het heel gewoon dat Riekelt telkens veertien dagen weg ging na een Zondag thuis. Nu, na de lange tijd van regelmatig samenzijn, schijnt het opeens een lange scheiding. Er is een vreemde weemoed in haar.

Riekelt's vroolijke oogen worden even strak. „Lub Taal blijft binnen," zegt hij.